Ecologische bosontwikkeling op voormalige landbouwgronden in de praktijk: keuzes voor beheerders

Ecologische bosontwikkeling op voormalige landbouwgronden in de praktijk: keuzes voor beheerders

1 december 2011 om 12:57 door An De Schrijver, Jan Van Uytvanck, Arno Thomas, Stephanie Schelfhout, Jan Mertens

37-3.PNG

Jonge bossen op voormalig sterk bemeste landbouwgronden worden vaak gekenmerkt door een homogene kruidvegetatie van snelgroeiende plantensoorten (bv. brandnetel of braam). De bodemcondities spelen hierbij een belangrijke rol (zie artikel 1, dit themanummer). Om een soortenrijke kruidlaag te ontwikkelen is de beperking van plantengroei cruciaal. Als veel licht, water en essentiële nutriënten beschikbaar zijn krijgen snelgroeiende, competitieve soorten vrij spel en worden andere soorten weggeconcurreerd. In lichtrijke tot matig schaduwrijke, niet-droge bostypen is er voldoende licht en water beschikbaar en zal de beschikbaarheid van nutriënten de competitie tussen planten sturen. Om hier een soortenrijke kruidlaag te laten ontwikkelen moet de plantengroei gelimiteerd worden door een lage beschikbaarheid van stikstof en/of fosfor. In jonge bossen zijn de gehalten aan stikstof en fosfor in de toplaag echter vaak erg hoog. Omwille van de hoge stikstofdepositie in Vlaanderen is het creëren van stikstoflimitatie in jonge bossen vrijwel onmogelijk en dient gestreefd te worden naar een beperkende fosforbeschikbaarheid. 

Zie PDF

Referenties:

Kemmers R.H., Kuiters A.T., Slim P.A., Bakker J.P. (2006) Is ontgronden noodzakelijk voor natuurherstel op voormalige landbouwgronden? De Levende Natuur 107: 170-175.

Lamers L., Lucassen E., Smolders F., Roelofs J. (2005) Fosfaat als adder onder het gras bij nieuwe natte natuur. H2O 17: 28-30.

Oomes M.J.M. (1998) Vernatten en verschralen. Doel, maatregelen en onmogelijkheden voor herstelbeheer. Landschap 15: 99-110.

Oosterbaan A, de Jong Jl, Kuiters AT (2008) Vernieuwingen in ontwikkeling en beheer van natuurgraslanden op voormalige landbouwgrond op droge zandgronden. Wageningen: Wageningen UR.

Purmer M. (2009) Ontgrondingen en cultuurhistorie: knelpunt of kans? De Levende Natuur 110: 54-56.

Sival F.P., Chardon W.J. (2004) Natuurontwikkeling op fosfaatverzadigde gronden: fosfaatonttrekking door een gewas. Alterra, Wageningen.

Stoker A. (2009) Praktische aspecten van de uitvoering van natuurontwikkelingsprojecten. De Levende Natuur 110: 50-53.

Thomaes A., De Keersmaeker L., De Schrijver A., Vandekerkhove K., Verheyen K. (2011) Can tree species choice influence recruitment of ancient forest species in post-agricultural forest? Plant Ecology, 212: 573-584. Thomaes A., De Keersmaeker L., Quataert P., Vandekerkhove K. (2007). Effecten van de boomsoort en de bebossingsduur op de floristische biodiversiteit bij recente bebossingen op rijke landbouwgronden. Deel I: Boomsoorteffect op de vestiging en ontwikkeling van oudbosplanten. INBO.R.2006.46. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

Timmermans B., van Eekeren N., Finke E., Smeding F. (2010) Evenwichtige verschraling van natuurpercelen. Eindverslag. Louis Bolk Instituut

van Eekeren N., Iepema G., Smeding F. (2007) Natuurherstel in grasland door klaver en kalibemesting. De Levende Natuur 108: 27-30. Van

Uytvanck J. (2010) Grote grazers sturen bosontwikkeling op voormalige landbouwgronden. Bosrevue 31: 11-14.

Van Uytvanck J., Decleer K., Adriaens P. (2009) Natuurontwikkeling door ontgronding in Vlaanderen: een kort overzicht. De Levende Natuur 110: 7-8.

Wallis de Vries M.F., Bakker J.P., van Wieren S.E. (1998) Grazing and conservation management. Kluwer Academic Publishers, Dordrecht.

Labels: