Hoe een nieuw natuurbeheerplan opstellen? – Wat met de bestaande beheerplannen

Hoe een nieuw natuurbeheerplan opstellen? – Wat met de bestaande beheerplannen

23 juli 2018 om 14:15 door Agentschap voor Natuur en Bos (ANB)

SchophemJeroenMentens2.jpg

Sinds 28 oktober 2017 is er een nieuwe regelgeving van kracht rond het natuurbeheerplan. In drie artikels in Bosrevue geeft het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) meer inzicht in deze nieuwe regeling. In het eerste artikel in de Bosrevue 68a van 29 maart 2018 gaven we informatie over de theorie en de beleidscontext. Dit artikel beschrijft hoe je een nieuw natuurbeheerplan opstelt en wat er moet gebeuren om een bestaand beheerplan voor een bos of voor een erkend natuurreservaat om te zetten naar een natuurbeheerplan. In het derde artikel zullen we het hebben over engagementen en voordelen gekoppeld aan een natuurbeheerplan, waaronder de subsidies en de fiscale voordelen.

Een nieuw natuurbeheerplan

Een natuurbeheerplan is opgebouwd uit vijf delen: 1. Verkenning, 2. Inventaris, 3. Beheerdoelstellingen, 4. Beheermaatregelen, 5. Opvolgingsplan. De goedkeuring van het natuurbeheerplan verloopt in twee fasen. In de eerste fase dien je deel 1 Verkenning in ter goedkeuring. Pas daarna, in de tweede fase werk je de delen 2 tot 5, het eigenlijke beheerplan, uit.

Het ANB streeft ernaar om op korte termijn alle natuurbeheerplannen onder digitale vorm te kunnen indienen, goedkeuren en verder opvolgen. Een eerste afgewerkte stap in dit proces is het e-loket voor het opstellen en indienen van deel 1 Verkenning. Het ANB werkt ook aan een volledig digitaal natuurbeheerplan. Deze toepassing wordt eerst uitgerold binnen het Agentschap voor Natuur en Bos. Daarna wordt de toepassing ter beschikking gesteld van andere openbare en private beheerders. Bovendien zijn er ook apps in ontwikkeling zodat de gegevens voor inventarisatie, planning en registratie van beheerwerken en beheermonitoring niet meer via papieren formulieren, maar rechtstreeks op een tablet of smartphone kunnen worden ingevoerd.

Telkens een nieuwe app of toepassing klaar is, zal je hierover de nodige informatie kunnen vinden via de website www.natuurenbos.be. In afwachting daarvan vind je op dezelfde website alle nodige formulieren en bijhorende informatie.

1. Deel 1 Verkenning van het natuurbeheerplan

Het opmaken van een natuurbeheerplan begint met het invullen van deel 1 Verkenning van een natuurbeheerplan via het e-loket. Toegang tot het e-loket krijg je via deze link: https://eloket.natuurenbos.be/.

Deel 1 Verkenning is beknopt en gaat niet in detail. Dit deel kan je als beheerder zelf invullen. Er is in dit stadium zeker geen uitgebreid studiewerk nodig.

Vooraleer je kan starten met de opmaak van deel 1 Verkenning van een natuurbeheerplan, moet duidelijk zijn of je kiest voor enerzijds een natuurbeheerplan type één of anderzijds een natuurbeheerplan type twee, drie of vier.

Een natuurbeheerplan type één is enkel mogelijk voor private terreinen, die niet gelegen zijn in het VEN (Vlaams ecologisch netwerk)  of in een SBZ (speciale beschermingszone). Dit natuurbeheerplan heeft als doel de aanwezige natuurkwaliteit te behouden (zorgplicht). Dit natuurbeheerplan type één heeft als voordeel dat de meeste beheermaatregelen vrijgesteld zijn van vergunningsplicht. Voor een natuurbeheerplan type één zijn er enkel subsidies voor openstelling mogelijk. Er zijn ook geen fiscale voordelen aan gekoppeld.

Heb je de ambitie om een hogere natuurkwaliteit te bereiken en wens je in aanmerking te komen voor subsidies en fiscale voordelen, dan kies je voor een natuurbeheerplan type twee, drie of vier.

Hierna wordt iets meer in detail ingegaan op deel 1 Verkenning voor een natuurbeheerplan type twee, drie of vier. Voor een natuurbeheerplan type één geldt dezelfde werkwijze via het e-loket, maar de vragen zijn eenvoudiger en er is geen informatie nodig m.b.t. de gewenste natuurstreefbeelden.

Deel 1 verkenning begint met een algemene beschrijving van het terrein waarvoor een natuurbeheerplan zal opgesteld worden. Via het e-loket kan je de deelnemende percelen op kaart aanduiden of een bestaande gis-laag opladen. Dan krijg je onmiddellijk een reeks kaarten ter beschikking met informatie over ruimtelijke bestemming, beschermingsstatuten, bodem, en ook over de aanwezige Europees te beschermen habitats en RBB (regionaal belangrijke biotopen). 

Dan volgt de bespreking van de drie functies (ecologisch, economisch en sociaal) van het terrein. Daarbij omschrijf je telkens heel kort de huidige toestand, gevolgd door de gekende zwaktes, sterktes, opportuniteiten en bedreigingen. Vervolgens geeft je de potenties van het terrein weer en de visie van de beheerder. Bij de sociale functie kan je bij de beschrijving van de huidige toestand eventueel verwijzen naar een bestaande toegankelijkheidsregeling.

Na analyse van al deze informatie kan je nu het globaal kader uitwerken. Hierbij kan je - indien van toepassing - aangeven voor welk ruimer gebied dan de effectief deelnemende percelen het globaal kader uitgewerkt wordt. Je beschrijft op hoofdlijnen de invulling van de drie functies en de differentiatie ervan over het terrein. Je kan hiervoor indien nodig een plannetje opladen. Daarna geef je aan welk type natuurbeheerplan je wenst op te stellen. Types twee, drie en vier kunnen zo nodig in één natuurbeheerplan gecombineerd worden. Je voegt dan een kaart toe waarop je aanduidt welke zones met elk type overeenkomen.

Voor een natuurbeheerplan type vier (natuurreservaat) wordt hierbij ook de informatie gevraagd voor de aanvraag tot erkenning als natuurreservaat: de motivatienota m.b.t. het toetsingskader voor de Vlaamse natuurreservaten en de toetsing aan de criteria m.b.t. de landbouwwaarde.

De gewenste natuurstreefbeelden (vegetaties – leefgebieden van soorten – procesgestuurde natuur) komen in deel 1 Verkenning voorlopig nog maar heel summier aan bod. Voor de vegetaties geef je aan tot welke cluster van vegetaties het gewenste natuurstreefbeeld behoort (bijv. graslanden, inheemse bossen, moerassen… ). Gedetailleerde informatie over het gewenste natuurstreefbeeld (bijv. habitat 9120) kan in een vrij veld ingevoerd worden, maar dat hoeft niet. Bij de leefgebieden van een soort wordt enkel de soort opgegeven. Bij procesgestuurde natuur geef je aan of het gaat over een mozaïeklandschap of over een onbeheerde climaxvegetatie. Je voegt een indicatieve kaart toe met de lokalisatie van de aangekruiste natuurstreefbeelden.

Als laatste punt van het globaal kader kan je indien van toepassing ook doelstellingen in het kader van het beschermingsstatuut overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet omschrijven.

Bij het uitwerken van het globaal kader kan je als beheerder best uitgaan van je kennis van het terrein en je eigen ambities. Bij ontvangst van een eerste versie van deel 1 Verkenning zal het ANB onderzoeken of die ambities in overeenstemming zijn met een hele reeks beleidsmatige aspecten zoals Natura 2000, beschermingsstatuten in het kader van natuurbehoud en van onroerend erfgoed, ruimtelijke bestemmingsvoorschriften, enz. Als dat nodig is, zal het ANB contact  met jou opnemen om samen te bespreken op welke punten het globaal kader best bijgestuurd wordt en met welke randvoorwaarden je rekening zal moeten houden bij het verder uitwerken van het natuurbeheerplan.

De mogelijkheid bestaat ook om een geïntegreerd beheersplan op te stellen, waarbij een natuurbeheerplan en een onroerenderfgoedbeheersplan in één plan geïntegreerd worden. Dit is voorlopig nog niet mogelijk via het e-loket. Neem hiervoor eerst contact op met het aanspreekpunt voor natuurbeheerplannen bij het ANB.

Na het globaal kader volgt het werkplan voor de inventarisatie. Hierbij duid je enkel aan op welke wijze je de inventarisatie zal uitvoeren. De inventaris zelf voer je pas uit na de goedkeuring van deel 1 Verkenning door het ANB. Voor alle beheereenheden wordt een standaard inventarisatiefiche ingevuld. Als er in de beheereenheid Europees te beschermen habitats of RBB (regionaal belangrijke biotopen) aanwezig zijn wordt eveneens een fiche voor kwaliteitsbeoordeling ingevuld. Enkel waar dat nodig is om de beheerdoelstellingen goed te kunnen formuleren kan je voorstellen om bijkomende specifieke inventarisaties te doen, zoals een bijkomende vegetatieopname, een bijkomende soortenopname, inventarisatie van cultuurhistorische elementen of andere.

Je sluit het deel 1 Verkenning af met de informatie over de bekendmaking van de publieke consultatie: in minstens één regionale krant, via de gemeentelijke informatiekanalen of door aanplakking op een duidelijk zichtbare manier langs een of meerdere toegangswegen naar het terrein in kwestie. Je geeft ook aan waar het natuurbeheerplan tijdens de consultatieperiode ter inzage zal liggen. Deze publieke consultatie is niet nodig bij een natuurbeheerplan type één.

2. De goedkeuring van deel 1 Verkenning van het natuurbeheerplan

Het ANB ontvangt deel 1 Verkenning via het e-loket. Als dat nodig blijkt, neemt de dossierbehandelaar van het ANB contact met je op om een overleg te plannen.

Als het terrein ligt in Beschermd Onroerend Erfgoed of in een Erfgoedlandschap zal het ANB het dossier voor advies doorsturen naar het Agentschap Onroerend Erfgoed.

De aanvraag voor erkenning als natuurreservaat wordt pas na de goedkeuring van het volledige beheerplan ter beslissing aan de minister voorgelegd.

Na de goedkeuring van deel 1 Verkenning kan je starten met de opmaak van delen 2 tot 5, het eigenlijke natuurbeheerplan.

3. De opmaak van delen 2 tot 5 van het natuurbeheerplan

Voor de delen 2 tot 5 van het natuurbeheerplan type één geldt een vereenvoudigde werkwijze:

  • Je vult per beheereenheid een standaardfiche in, waarop zowel de inventarisatiegegevens (deel2) als de beheerdoelstellingen (deel3) en de beheermaatregelen (deel 4) genoteerd worden. Indien gewenst kan je bijkomend nog een samenvattende tabel van de geplande maatregelen opstellen.
  • Je kan ervoor kiezen om de standaardfiches al meteen bij het indienen van deel 1 verkenning via het e-loket toe te voegen. Je slaat dan beste de ingevulde standaardfiches op als een pdf-bestand, en laadt ze op als bijlage bij deel 1 Verkenning via het e-loket.

Een natuurbeheerplan type twee, drie en vier wordt altijd in twee fases behandeld: pas na de goedkeuring van deel 1 verkenning kan je starten met delen 2 tot 5.

In afwachting van het digitaal natuurbeheerplan worden delen 2 tot 5 voorlopig nog opgesteld als een doorlopende tekst, enkel voor de inventarisatie zijn er formulieren ter beschikking. Voor het tekstgedeelte volg je de inhoudstafel zoals vastgelegd in bijlage 1 van het BVR natuurbeheerplannen.

Het opstellen van een natuurbeheerplan van type twee, drie of vier vergt specifieke kennis. Indien je als beheerder deze kennis niet hebt, kan het aangewezen zijn om de opdracht voor het schrijven van delen 2 tot 5 geheel of gedeeltelijk toe te vertrouwen aan een gespecialiseerd studiebureau. Het ANB stelt een model-bestek ter beschikking dat gebruikt kan worden om de opdracht aan het studiebureau goed te omschrijven.

4. Deel 2 Inventarisatie

De inventarisatie heeft tot doel om de uitgangssituatie te bepalen. Zo krijg je zicht op wat goed is en moet behouden worden en op wat niet goed is en moet aangepakt worden. Uit de inventarisatiegegevens wordt duidelijk waar welke beheerdoelen haalbaar zijn en waar welke maatregelen nodig zijn.

Je volgt hierbij het werkplan voor inventarisatie, zoals goedgekeurd in het deel 1 Verkenning. 

Per beheereenheid vul je één standaardfiche in. Er is per cluster van vegetatietypes een standaardfiche beschikbaar. 

Voor die beheereenheden waar er al een Europees te beschermen habitat of een RBB aanwezig is , vul je bijkomend een fiche ‘kwaliteitsbeoordeling’ in om de lokale staat van instandhouding te bepalen.

Indien dat voorzien is in het werkplan inventarisatie voer je nu ook de specifieke inventarisaties uit.

In het natuurbeheerplan zelf geef je een samenvatting van deze gegevens en conclusies.

Het ANB werkt momenteel aan een app voor het invullen op het terrein van de inventarisatie-fiches.. Zodra deze app voor het publiek ter beschikking is zal hierover de nodige info verschijnen op de website van het ANB.

5. Deel 3 beheerdoelstellingen

Dit deel is het belangrijkste deel van het natuurbeheerplan. Het start met hoofdstuk 1. Beheervisie waar het globale kader uit deel 1 Verkenning overgenomen of  verfijnd wordt op basis van de resultaten van de inventarisatie en van verder overleg. Voor de ecologische functie hoort hierbij een overzichtskaart met aanduiding van de zones waar de gewenste natuurstreefbeelden tot doel gesteld worden. Dit mag nog steeds geclusterd gebeuren, bijv. graslanden, waters en moerassen, ruigtes en pioniervegetaties,… Het ANB heeft een standaardlijst met de indeling van de natuurstreefbeelden in clusters opgesteld. Voor leefgebieden van een soort wordt eveneens een kaart toegevoegd met aanduiding van de zones waar het leefgebied van een soort tot doel gesteld wordt. Ook voor de economische functie en de sociale functie kan je indien dit relevant is een overzichtskaart toevoegen met aanduiding van bijv. de delen waar houtoogst gepland is of de delen die opengesteld worden voor het publiek.

In hoofdstuk 2 Beheerdoelstellingen formuleer je voor elk van de drie functies (ecologisch – economisch – sociaal) de beheerdoelstellingen. Het moet daarbij gaan over concrete, meetbare doelen die je binnen de planperiode (24 jaar) wil realiseren. Je schrijft de beheerdoelstellingen enkel uit voor de effectief deelnemende percelen.

Beheerdoelstellingen omschrijf je aan de hand van kenmerken en factoren. Kernmerken zijn eigenschappen van het beheerdoel, die kunnen opgevolgd worden om te kijken in welke mate het doel bereikt is. De uitdaging is te beslissen welke kenmerken het meest relevant zijn voor het doel in kwestie. Focus hierbij op deze kenmerken waarop het beheer impact heeft. Factoren zijn krachten die het doel beïnvloeden. De focus ligt hier op die factoren die in een bepaald terrein het meest bepalen of een doel al dan niet gerealiseerd wordt.

Voorbeeld: Beheerdoel 9.1 Droge habitatbossen

Kenmerken:

  • Gunstige staat voor alle criteria LSVI (9120 en 9130), met focus op verbetering van verticale structuur, aandeel en hoeveelheid dik en dood hout
  • Dood hout: bomen met veiligheidsrisico vellen en laten liggen
  • Oude bomen: 10 te behouden bomen/ha. Gepast beheer uitstippelen voor oude bomen met holten, monumentale bomen, nestbomen
  • Leefgebied vleermuizen: 7 à 10 dikke bomen met holten/ha
  • Horizontale structuur : bosranden gekoppeld aan drevenstructuur

 Factoren:

  • Wildstand: de dichtheid van reeën belet natuurlijke verjonging met de gewenste boomsoorten. Moeilijk rechtsreeks op te volgen via jaarlijkse aantalsschatting, maar wel onrechtstreeks (opvolgen veegschade en vraatschade).
  • Hoge recreatiedruk zorgt voor overmatige betreding

Tot slot wordt ook een bosbalans toegevoegd: waar en over welke oppervlakte worden er ontbossingen of bebossingen gepland, en gebeurt dit in functie van de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen of niet. Voor de ecologische functie geef je voor elk voorkomend geclusterd natuurstreefbeeld eerst een overzichtstabelletje met de beheereenheden die onder deze cluster vallen, de oppervlakte, het specifiek natuurstreefbeeld (habitattype, RBB of bwk-code) en eventuele opmerkingen. Daarna geef je een korte omschrijving van het natuurstreefbeeld en formuleer je de kenmerken en factoren. Dezelfde werkwijze volg je voor de leefgebieden van een soort.

Voor de economische functie omschrijf je per economisch doel dat je vermeld hebt in hoofdstuk 1 beheervisie (bijv. houtoogst, biomassa, wild, visvangst,  concessies, gebruiksrechten, jachtrechten) eerst voor welke beheereenheden het economisch doel van toepassing is, daarna een korte beschrijving en dan de kenmerken en factoren.

Voor de sociale functie omschrijf je eerst de aard van de toegankelijkheid. Bij principiële toegankelijkheid is het terrein enkele toegankelijk voor voetgangers op de wegen. In dat geval is het niet nodig een toegankelijkheidsregeling (TR) op te stellen. Bij toelating voor andere categorieën van weggebruikers of toestemming om de wegen te verlaten verwijs je naar de toegankelijkheidsregeling (bestaand of nieuw op te stellen). Private bossen kunnen ontoegankelijk gesteld worden, maar als er een natuurbeheerplan van type twee, drie of vier opgesteld wordt, dan geldt het principe van minimale toegankelijkheid! De manier waarop dit ingevuld wordt, wordt in het natuurbeheerplan weergegeven. Voor openbare terreinen geef je hier ook een motivering voor het ontoegankelijk stellen van bepaalde wegen of gedeelten van het terrein.

Bij de doelen voor de sociale functie kan je ook specifieke doelen voor het beheer van het onroerend erfgoed opnemen, evenals specifieke wetenschappelijke doelen.

6. Deel 4. Beheermaatregelen

In dit deel beschrijf je hoe je de beheerdoelstellingen zal realiseren. De beheermaatregelen worden gekoppeld aan de beheerdoelen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen eenmalige en terugkerende maatregelen.

Voor het omschrijven van de beheermaatregelen gebruik je de codering en formulering uit de standaardlijst voor beheermaatregelen.

Eenmalige maatregelen zijn die maatregelen die tijdens de looptijd van het natuurbeheerplan één keer worden uitgevoerd. Ze hebben als doel een verandering in het abiotisch milieu of in de biotoop mogelijk te maken of op gang te brengen. Voorbeelden zijn hydrologische herstelmaatregelen, grootschalig plaggen, kaalkap, aanplanten, … . Eenmalige maatregelen zijn meestal noodzakelijk als de actuele situatie sterk afwijkt van de gewenste situatie.

Terugkerende maatregelen zijn maatregelen die tijdens de looptijd van het natuurbeheerplan verschillende keren uitgevoerd worden, bijv. maaien, kappen van opslag, dunnen, …

Je beschrijft de maatregelen per doel. Voor zover van toepassing geef je ook aan of je voor de maatregel via de goedkeuring van het natuurbeheerplan ook een vergunning, vrijstelling of ontheffing op de natuurregelgeving of de omgevingsvergunningsplicht vraagt of dat er voor de maatregel een aparte vergunning nodig is.

De beheermaatregelen voor de eerste 6 jaar werk je tot in detail uit. Voor deze maatregelen vermeldt je de plaats, het tijdstip en eventuele randvoorwaarden. De beheermaatregelen voor de latere jaren (7-24) kan je nog wat vager houden. Deze maatregelen, kan je bij de zesjaarlijkse evaluatie verder uitwerken of bijsturen aan de hand van de resultaten van opvolging (monitoring).

7. Deel 5. Opvolgingsplan

Beheeropvolging is een middel om het beheer te verbeteren en zo kostenefficiënter het doel te bereiken. Het is moeilijk om bij de opmaak van het beheerplan al alle beheermaatregelen vast te leggen, omdat we niet op voorhand zeker zijn dat de geplande maatregelen de gewenste resultaten zullen opleveren en omdat er ook onvoorziene zaken kunnen gebeuren zoals brand, storm, zeer natte of zeer droge weersomstandigheden, enz... Er is altijd een mate van onzekerheid omdat elke uitgangssituatie uniek is.

Daarom maak je in het beheerplan afspraken over hoe je zal opvolgen in welke mate de beoogde natuurstreefbeelden bereikt worden en in welke mate de geplande beheermaatregelen worden uitgevoerd. Hierover wordt er om de 6 jaar gerapporteerd aan het ANB.

Voor de opvolging van de beheerdoelstellingen maak je om de 6 jaar een kwalitatieve evaluatie per natuurstreefbeeld aan de hand van een evaluatieformulier, waarbij een inschatting gebeurt van de kwaliteit van het natuurstreefbeeld. Voor bepaalde natuurstreefbeelden worden hiertoe specifieke indicatoren opgevolgd, namelijk wanneer er onvoldoende zekerheid is dat de natuurstreefbeelden zullen gehaald worden bij het uitvoeren van de geplande maatregelen.  In de ‘code goede praktijk beheermonitoring’ vind je voor welke natuurstreefbeelden je specifieke indicatoren moet opvolgen en met welke frequentie.

Voor de opvolging van de beheermaatregelen volstaat het om jaarlijks de gesubsidieerde beheermaatregelen digitaal te registreren. Het ANB werkt hiervoor aan een app.

Het ANB voert op basis van de evaluatieformulieren en de geregistreerde beheerwerken om de 6 jaar een beheerevaluatie uit, waarbij wordt nagegaan of het beheer op schema zit om de beheerdoelen te halen. Als dat nodig is, zal het ANB in zijn evaluatieverslag een voorstel doen om de beheermaatregelen aan te  passen. Als zou blijken dat de beheerdoelen zelf niet haalbaar zijn, kan het ANB de beheerder vragen om een aanvraag tot wijziging van het beheerplan in te dienen.

8. De goedkeuring van delen 2 tot 5 van het natuurbeheerplan

Hieronder vind je schematisch een stappenplan voor de goedkeuringsprocedure.

Rood = procedurestap voor de indiener, groen = procedurestap bij ANB, oranje = procedurestap bij een andere instantie.

Omzetting van een bestaand beheerplan naar een natuurbeheerplan

1. Procedure voor de omzetting naar een natuurbeheerplan

Voor heel wat bossen en erkende natuurreservaten is er een nog geldend beheerplan. Artikel 107 van het Decreet van 9 mei 2014 tot wijziging van de regelgeving inzake natuur en bos (wijzigingsdecreet), voorziet een eenvoudige procedure om met minimale inspanning deze nog lopende beheerplannen om te zetten naar een natuurbeheerplan.

Het ANB bezorgt aan jou als beheerder een ‘evaluatieverslag’, met daarin een beoordeling of er na toetsing aan o.m. de nieuwe regelgeving rond natuurbeheerplannen en de Europese natuurdoelen, wijzigingen of aanvullingen nodig zijn om het beheerplan om te zetten naar een natuurbeheerplan. Als er geen aanvullingen of wijzigingen nodig zijn, wordt het beheerplan vanaf ontvangst van het evaluatieverslag als een natuurbeheerplan beschouwd en dit voor de resterende looptijd. Als er wel aanvullingen of wijzigingen nodig zijn, heb je zes maanden na ontvangst van het evaluatieverslag de tijd om de aanpassingen of aanvullingen te doen. Vervolgens beslist het ANB binnen zes maanden over de goedkeuring van het aangepaste beheerplan. Er moet dus geen publieke consultatie of adviesronde gebeuren. Vanaf de beslissing van het ANB is het oorspronkelijke beheerplan niet meer geldig en wordt een natuurbeheerplan inclusief de aanvullingen of wijzigingen goedgekeurd voor de resterende looptijd.

Het ANB zal de beheerders stimuleren om maximaal van deze eenvoudige procedure gebruik te maken, eerder dan een volledig nieuw natuurbeheerplan op te stellen. Als er veel wijzigingen moeten gebeuren aan het beheerplan en/of het beheerplan maar een beperkte looptijd meer heeft, kan je beslissen om een volledig nieuw natuurbeheerplan op te stellen.

Zolang de beheerder geen evaluatieverslag van het ANB ontvangen heeft, blijft het oorspronkelijke beheerplan gelden, inclusief de oude subsidieregeling.

2. Welke acties moeten concreet worden ondernomen in de omzettingsprocedure?

Het ANB heeft een plan van aanpak uitgewerkt rond de evaluatieverslagen van bestaande beheerplannen. Je moet als beheerder zelf geen initiatief nemen en wacht bij voorkeur op de ontvangst van het evaluatieverslag. Het ANB zal je via het evaluatieverslag zoveel mogelijk zelf de nodige informatie bezorgen voor de omzetting, zodat de inspanning van de beheerder beperkt blijft. Na ontvangst van het evaluatieverslag beoordeel je of je akkoord bent met het voorstel van het ANB. Indien nodig werk je het natuurbeheerplan bij.

Opgelet: Wijzigingen of uitbreidingen aan het beheerplan die los staan van het evaluatieverslag kunnen niet goedgekeurd worden via de eenvoudige procedure van art. 107.

3. Welke bijkomende informatie is er nodig voor de omzetting naar een natuurbeheerplan?

De nodige bijkomende elementen worden maximaal voorbereid door het ANB op basis van het oude beheerplan en door toetsing daarvan aan de zgn. natuurdoelenlaag. Dat is een kaart waarop de natuurdoelen in het kader van Natura 2000 en de instandhoudingsdoelstellingen gevisualiseerd worden.

De beperkte bosbeheerplannen zullen in één beweging automatisch omgezet worden naar natuurbeheerplannen van type één. De beheerder zal daarover een bericht ontvangen.

Voor de uitgebreide bosbeheerplannen en de beheerplannen van erkende natuurreservaten zal de beheerder een evaluatieverslag toegestuurd krijgen met daarin een voorstel voor het ambitieniveau voor de ecologische functie (type twee, drie of vier), een voorstel voor de natuurstreefbeelden, een opvolgingsplan (monitoring van de natuurstreefbeelden) en mogelijke aanvullingen en wijzigingen i.v.m. de instandhoudingsdoelstellingen en soortenbeschermingsprogramma’s.

Daarnaast zal het ANB ook een berekening maken van de mogelijke subsidies.

Als beheerder moet je dan zelf enkel nog, waar nodig, de beheermaatregelen aanvullen als de geldigheidsduur van het beheerplan aangepast wordt of bij wijziging naar een ander natuurstreefbeeld.

Meer informatie

Meer informatie over het natuurbeheerplan vind je op https://www.natuurenbos.be/beleid-wetgeving/natuurbeheer/natuurbeheerplan. Heb je vragen over jouw beheerplan en vind je geen antwoord op de website, neem dan contact op met het aanspreekpunt voor natuurbeheerplannen bij het ANB.

Gelieve als volgt citeren: Agentschap voor Natuur en Bos (2018) Hoe een nieuw natuurbeheerplan opstellen ? – Wat met de bestaande beheerplannen? Bosrevue 69a, 1-11.

ISSN 2565-6953 – Bosrevue 69a

Bekijk pdf

Labels: