De classificatie van bosplantengemeenschappen in Vlaanderen

De classificatie van bosplantengemeenschappen in Vlaanderen

2 september 2005 om 11:29 door Johnny Cornelis, Luc De Keersmaeker, Martin Hermy, Kris Vandekerkhove

13-1.PNG

De samenstelling van de vegetatie in bossen kan sterk verschillen van plaats tot plaats. Spontaan ontwikkelde vegetaties zijn echter niet zomaar willekeurig samengesteld, maar vertonen een zekere ordening. Bepaalde plantensoorten groeien vaak samen, andere soorten dan weer niet. Dergelijke groeperingen van plantensoorten die vaak samen voorkomen, worden als plantengemeenschappen aangeduid. Een plantengemeenschap verkeert in een dynamisch evenwicht met een bepaalde standplaats en met de plantengemeenschappen in de omgeving. Ze komt tot stand onder invloed van het bodemtype, de waterhuishouding, het klimaat, de interacties tussen soorten en het uitgevoerde beheer. Ook de factor tijd speelt een belangrijke rol. Pioniersgemeenschappen komen vrij snel tot stand, de ontwikkeling van de eindstadia van de successie (de zogenaamde climaxgemeenschappen) kan tot honderden jaren duren. In dit artikel wordt uitgelegd hoe plantengemeenschappen in bossen worden beschreven en ingedeeld (geclassificeerd). Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de bestaande classificaties van bosplantengemeenschappen in Vlaanderen.

Bekijk PDF

Referenties:

Bos & Groen (2001) – De bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest. Resultaten van de eerste inventarisatie 1997-1999. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel. 486 pp.

Braun-Blanquet J. (1964) – Pflanzensoziologie. Grundzüge der Vegetationskunde. 3 de uitgave. Springer, Wenen/New York. 865 pp.

Durwael L., Roelandt B., De Keersmaeker L. & Lust N. (2000) – Beschrijving van de natuurtypen in Vlaanderen: bossen. Laboratorium voor Bosbouw, U.Gent in opdracht van Milieu- en Natuurraad, Brussel. 121 pp.

Hermy M. (1984) – The creation and analysis of data matrices in vegetation science. Bull. Soc. Roy. Bot. Belg. 117: 36-72.

Hermy M. (1985) – Ecologie en fytosociologie van oude en jonge bossen in Binnen-Vlaanderen. Doctoraatsproefschrift, Rijksuniversiteit Gent. 770 pp.

Hill M.O. (1979) – TWINSPAN, a FORTRAN program for arranging multivariate data in an ordered two-way table by classification of the individuals and attributes. Cornell University, Ithaca. 90 pp.

Londo G. (1975) – De decimale schaal voor vegetatiekundige opnamen van permanente kwadraten. Gorteria 7: 101-105.

Noirfalise A. (1984) – Forêts et stations forestières en Belgique. Les Presses Agronomiques de Gembloux. 234 pp.

Rogister J.E. (1985) – De belangrijkste bosplantengemeenschappen in Vlaanderen. Rijksstation voor bos- en hydrobiologisch onderzoek, Hoeilaart. Werken – Reeks A. nr. 29. 106 pp.

Schaminée J.H.J., Stortelder A.H.F. & Westhoff V. (1995) – De vegetatie van Nederland. Deel 1. Inleiding tot de plantensociologie: grondslagen, methoden en toepassingen. Opulus Press, Uppsala/Leiden. 296 pp.

Vandekerkhove K. (1998) – Voorlopige bostypologie voor Vlaanderen: een poging tot synthese op basis van literatuur. Appendix 1 in: Criteria voor de selectie van bosreservaten in functie van een betere kadering van de Vlaamse bosreservaten in een Europees netwerk. Mededelingen 1998/3, Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer, Geraardsbergen: 79-106.

Van der Maarel E. (1979) – Transformation of cover-abundance values in phytosociology and its effects on community similarity. Vegetatio 39: 97-114

Westhoff V. & Van der Maarel E. (1978) – The Braun-Blanquet approach. In: R.H. Whittaker (ed.) – Classification of plant communities. Junk, Den Haag, 2°ed.: 287-399.

Labels: